NEDERLANDSCHE VOGELEN

Ornithologisch topwerk

Nederlandsche vogelen; volgens hunne huishouding, aert, en eigenschappen beschreeven door Cornelius Nozeman, leeraer der Remonstranten, en mede-directeur van ’t Bataefsch Genootschap der proefondervindelyke wysbegeerte te Rotterdam; alle naer ’t leeven geheel nieuw en naeuwkeurig getekend, in ’t koper gebragt, en natuurlyk gekoleurd door, en onder opzicht van Christiaan Sepp en zoon. Te Amsterdam, by Jan Christiaan Sepp, boekverkoper. 5 dln., 1770-1829. Folio. Gebaseerd op het exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, signatuur: 1047 B 10 14.

Kopergravures en omschrijvingen

De Nederlandsche vogelen, ook wel ‘Nozeman en Sepp’ genoemd, is een van de mooiste en duurste werken uit de geschiedenis van onze boekdrukkunst. Het werd uitgegeven in losse afleveringen die tot vijf delen samengebonden konden worden, tussen 1770 en 1829. 59 jaar zat er tussen het verschijnen van het eerste en het laatste deel. Het is het eerste standaardwerk over de avifauna van Nederland in woord en beeld. Samen bevatten de delen 250 prachtige, met de hand ingekleurde, gravures die de vogels zo veel mogelijk op natuurlijke grootte afbeelden, vaak met hun gevederde partner en soms ook met nest en eieren. Elk deel bevat 50 met de hand gekleurde kopergravures met uitgebreide beschrijvingen van het uiterlijk van de vogels en hun leefwijze. Op deze 250 platen zijn ongeveer 200 vogelsoorten afgebeeld, waaronder 192 wilde soorten. De volgorde waarin de vogels opgenomen werden, was afhankelijk van welke vogel gevonden werd en is dus willekeurig. Wel is steeds de sytematiek van Linnaeus vermeld. De vogels zijn zo veel mogelijk op natuurlijke grootte afgebeeld. De beschrijving beslaat ongeveer 2 à 4 pagina’s per vogelsoort. Meestal bestaat de tekst uit een systematische inleiding, een nauwkeurige beschrijving van het uiterlijk van zowel het wijfje als het mannetje en vervolgens een overzicht van de aard van het voorkomen, de leefwijze, de vangst én de mogelijke bereidingswijze van de vogel. Elk deel heeft een korte inhoud en een titelbladzijde. Het tweede, vierde en vijfde deel heeft een namenregister – en bij het vijfde deel is ook een erratum toegevoegd. Aan het einde van het laatste deel is ook een systematische namenlijst toegevoegd, waarin alle afgebeelde vogelsoorten zijn opgesomd. Het plan van Nozeman was om niet alleen de vogels zelf, maar ook hun eieren en nesten af te beelden. Om die te bestuderen, vertrouwde hij niet op de kennis van anderen, maar ging hij zelf op pad om de nesten en eieren te zoeken of te laten opzoeken. Dat blijkt uit het volgende fragment:

‘Op bloote berichten van anderen, wier Trouw my niet bekend is, gae ik ten aanzien va de Nesten en Eijeren niet los. ’K heb eenen knaep in myn’ dienst die ’t kunstje meesterlyk verstaet van de broedende vogelen op het Nest zelf te vangen. Zoo drae hy ze aenbrengt worden ze naer ’t leeven uit getekend. Geef ik voorwerpen uit, die onder myn eigen oog niet opgedaen zyn, (gelyk meermaelen zal moeten gebeuren,) dan zullen zelfs de Hoogaenzienelyke en andere Heeren, die de goedheid geliefden te hebben my op myn verzoek, als anders uit eigene vrindelyke beweeging, de Nesten en Eijeren met of zonder de Vogelen te laeten toekoomen, zig loffelyk als bezorgers door my met hunne naemen vinden gemeld, en zy allen, (dit houd ik my verzekerd,) zullen wel aenspraeklyk willen zyn voor hunne Getrouwheid.’

De gekleurde platen werden verzorgd onder toezicht van de Amsterdammer Christiaan Sepp, tekenaar, graveur en cartograaf in Amsterdam én liefhebber van de biologie. Later zetten zijn zoon en kleinzoon het werk voort. De teksten voor de eerste delen werden geleverd door Cornelis Nozeman (1720- 1786). Na zijn dood nam de arts en bioloog Martinus Houttuyn (1720-1798) het werk over. Toen ook hij overleden was, maakte de uitgever het werk af op basis van Houttuyns aantekeningen en bijgestaan door Coenraad Jacob Temminck (1778-1858), de eerste directeur van het Rijks Museum van Natuurlijke Historie in Leiden, het tegenwoordige Naturalis Biodiversity Center. Nozeman was een remonstrants predikant en stond bekend om zijn natuurhistorische kennis. Vooral in vogels was hij erg geïnteresseerd. Hij had enkele theologische publicaties op zijn naam staan, maar verzorgde ook vertalingen van Duitse en Engelse dierkundige werken. Hij was een bekwaam ornitholoog, en was ook regelmatig in het veld zelf te bespeuren. Hij stelde deel I samen en een groot stuk van deel II. Na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn tijdgenoot Houttuyn. Die was arts, maar vooral ook auteur van enkele natuurhistorische werken. Hij beschreef de vogels in deel II tot en met IV, die hem toegestuurd werden, of die hij in Amsterdam op de markt had verkregen. Deel V werd verzorgd door de uitgever met behulp van Temminck. Hij behoorde tot een latere generatie. Zijn vader bezat een kleine vogelverzameling en had een voorliefde voor natuurhistorie. Temminck erfde die interesse en ontwikkelde zich uiteindelijk tot ‘een systematischen zoöloog van den hoogsten stempel’. In 1820 werd Temminck directeur van het Rijks Museum van Natuurlijke Historie. Hij publiceerde erg veel tijdens zijn leven. Zo gaf hij een catalogus uit van zijn collectie vogels en apen. Zijn bekendste werk, Manuel d’Ornithologie, verscheen tussen 1815 en 1840.

Verschillende tekenaars

Geen van de platen is gesigneerd. Volgens het titelblad werden de tekeningen vervaardigd ‘onder opzicht van Christiaan Sepp en zoon’. Deze toelichting is te vaag om daaruit te kunnen opmaken wie de tekenaar van welke plaat precies geweest is. Het staat niet vast welk aandeel de familie Sepp precies gehad heeft bij het tot stand komen van de platen. Welke platen Christiaan Sepp getekend of gegraveerd heeft, weten we dus niet. Het kan goed zijn dat tekenaar S. Klapmuts ook platen heeft getekend, maar dat blijkt nergens. Alleen de tekenaar N. Muis wordt in het eerste en tweede deel een aantal keer vermeld. Ook weten we met zekerheid dat de afbeelding van de purperreiger (353) van de hand van W. Hendriks is. Er zou ook een tekenares verantwoordelijk zijn voor een of meerdere platen. Zo is de holenduif (407) wellicht het werk van Pauline De Courcelles. Sommige originelen zijn nog te bezichtigen in het Rijksmuseum in Amsterdam, maar een deel is ook verkocht. Over het algemeen vertonen de verschillende platen een grote uniformiteit. Daarom is het erg moeilijk om te achterhalen welk werk bij welke tekenaar hoort. Toch zijn er platen die duidelijk gemeenschappelijke kenmerken vertonen, maar verschillen van de andere prenten. Zo is er bijvoorbeeld het contrast tussen de plaat van de klapekster (121) en die van de grauwe klauwier (127) tegenover bijvoorbeeld de tekeningen van de braamsluiper (139) en de goudvink (141). De klapekster en de grauwe klauwier zouden, samen met de stereotiepe ‘omkijkende’ vogels, die vooral in deel I voorkomen, het werk van Klapmuts kunnen zijn.

Betekenis van het werk

De Nederlandsche Vogelen geeft weliswaar geen compleet overzicht van de avifauna van Nederland in de achttiende eeuw, maar biedt wel een goed beeld van de voornaamste vogelsoorten die toen in Noord- en Zuid-Holland voorkwamen en bovendien van vogels uit de andere provincies. De prachtige originele tekeningen met nesten en eieren zijn een genot voor het oog en bieden samen met de uitgebreide beschrijvingen uren kijk- en leesplezier.

Inleiding en wetenschappelijke index

Aan deze uitgave werd een moderne, cultuurhistorische inleiding toegevoegd met teksten van Marieke van Delft, Esther van Gelder en Lex Raat. Tevens werd een wetenschappelijke index toegevoegd met alle oude en moderne vogelnamen.

« Terug